De macro-economische en culturele effecten van open grenzen

March 29, 2016

Share this article:

Open grenzen – Deel 1

De vluchtelingencrisis vormt een risico voor de Europese samenwerking. Premier Mark Rutte stelt dat de Europese buitengrenzen daarom beter moeten worden bewaakt en dat vluchtelingen beter over de EU verdeeld moeten worden. Rutte deed de uitspraken zaterdag in Den Haag op de Europadag van de VVD. Geen onderwerp vereist zo’n dringende aandacht als de massale toestroom van migranten, zei Rutte. Volgens hem vormt het probleem de grootste uitdaging van de Europese Unie. “Het zou zelfs het weefsel van onze samenwerking kunnen doen wegscheuren”, aldus de premier. Als EU-lidstaten er niet in slagen de buitengrenzen correct te controleren, ondermijnt dat het vrije verkeer en de open grenzen tussen de landen, zegt Rutte.
Open grenzen zijn al een geruime tijd deel van de Europese Unie. Doordat we open grenzen hebben kan particulier en zakelijk verkeer reizen door Europa zonder het oponthoud van grenscontroles. Wat zijn echter de effecten van deze open grenzen, vanuit een macro-economisch en cultureel perspectief?

 

Verdrag van Schengen

Om de gevolgen van de open grenzen, en daarmee het vrije verkeer, te begrijpen, moet er eerst vastgesteld worden waarom deze open grenzen er zijn. Eigenlijk is dit heel kort samen te vatten in het Verdrag, of beter de Vedragen, van Schengen. De eerste landen die meededen in een soortgelijk verdrag waren de landen van de Benelux en haar buurlanden, zijnde Frankrijk en Duitsland. In 1985 tekenden zij het eerste Verdrag van Schengen, waarbij zij afspraken om vrij personenverkeer zonder grenscontroles te handhaven binnen het gebied dat afgebakend werd door hun buitengrenzen. Dit gebied zou een Schengengebied gaan heten, naar de plaats waar het verdrag getekend werd: het drielandenpunt in Schengen.
Doordat er open grenzen zijn, is het mogelijk voor zowel individueel als zakelijk verkeer, om vrij te reizen door Europa. Dit heeft tot gevolg dat zodra de vluchtelingen en andere migranten de grenzen van de Europese Unie voorbij zijn, zij zich in principe vrij kunnen bewegen door Europa.
Gezien de omvang van het vluchtelingenprobleem heeft de kwestie veel aandacht gekregen op politiek niveau, maar ook in de media, waardoor dit vrije reizen niet geheel onvoorwaardelijk is. Daarmee wordt bedoeld dat een groep vluchtelingen niet dezelfde rechten heeft als een groep Europeanen, gezien hun illegale status, en daardoor vervalt hun ‘recht’ tot vrij reizen binnen de Europese Unie.
In de praktijk bleek echter dat zeker in het begin van de vluchtelingenstroom, de, voornamelijk Syrische, vluchtelingen in hordes door Europa trokken tot zij hun land van bestemming bereikt hadden. Dit probleem viel mede toe te dichten aan het feit dat er geen grenscontroles plaatsvonden binnen de grenzen van de EU.
Hoewel de vluchtelingenstroom een recent probleem is, is massamigratie op zichzelf al jarenlang een vraagstuk voor het economisch welvarende westen. Nadat de grenscontroles binnen de EU verdwenen en de minder welvarende landen, zoals het traditionele Oostblok,  toetraden, kwam de migratie van zogenoemde ‘oostblokkers’ op gang. Volgens het CBS is bijvoorbeeld het aantal Polen dat na de toetreding in 2004 naar Nederland is verhuisd binnen twee jaar tijd verviervoudigd en na zes jaar meer dan verzesvoudigd. De Westerse overheden zitten dus met het vraagstuk opgezadeld wat zij met de immigranten aanmoeten en of dit per definitie een negatief effect zal hebben op de economie en de samenleving.

Macro-economische gevolgen

Om de macro-economische gevolgen goed te beoordelen, wordt er naar het immigratiesurplus, verdelingseffect, de fiscale en sociale uitgaven en de totale vraag van de economie gekeken als het om de economische effecten gaat die massa-immigratie met zich meebrengt.

Immigratiesurplus

Met immigratiesurplus wordt de toegevoegde waarde voor de economie bedoeld, die bereikt wordt door toedoen van de immigranten. Als er wordt gesproken over immigratiesurplus neemt men over het algemeen aan dat dit een positief effect is van immigratie.
Wanneer we het hebben over immigratiesurplus wordt er aangenomen dat er flexibele lonen zijn. Als er dus enorme groepen immigranten naar Nederland toe komen zal de populatie groeien, waardoor de beroepsbevolking groter wordt en er meer arbeidsaanbod is (meer werknemers). Doordat er meer mensen zijn die willen werken, zullen de lonen lager worden, gezien de werkgevers een sterkere positie krijgen, wat op zijn beurt weer resulteert in een groter aanbod in banen (arbeidsvraag). Let wel, als de lonen niet flexibel zijn, zullen de lonen ook niet dalen en resulteert het grotere arbeidsaanbod niet in een sterkere positie voor de werkgever waardoor het aantal beschikbare banen gelijk blijft en de werkloosheid zal stijgen. Daarnaast is het belangrijk in gedachten te nemen dat de flexibiliteit van lonen afhankelijk is van de tijd. Op korte termijn kan er worden aangenomen dat de lonen strikt zijn, dat wil zeggen dat er geen loonsverlaging optreedt en dat de werkloosheid omhoog zal gaan. Op de middellange termijn zullen de lonen zich flexibeler gedragen wat dan tot gevolg zou hebben dat de werkloosheid weer naar beneden gaat, omdat er meer arbeidsvraag is voor de werkzoekenden.
Echter, zelfs als de lonen zich strikt gedragen en niet flexibel zijn is het toch mogelijk dat er een immigratiesurplus optreedt. Vanuit de oorspronkelijke staat van de economie zijn er altijd banen waarvoor de autochtone bevolking ‘bedankt’ en die nagenoeg permanent niet worden ingevuld. Een voordeel van immigratie is dat er over het algemeen vaak immigranten zijn die datzelfde werk wel willen doen voor het aangeboden loon, waardoor deze van oorsprong oningevulde banen nu wel bemand worden en waardoor de welvaart zal toenemen.

Verdelingseffect

Daarnaast volgt er uit het voorgaande dat het immigratiesurplus geen neutraal effect heeft op de lonen van de autochtone bevolking. Er doet zich een verdelingseffect voor als het om werkende immigranten gaat. Als de immigranten het werk kunnen doen wat de autochtone bevolking ook doet, dus als zij als substituut kunnen fungeren, dan heeft dit een nadelig effect op het loon van de autochtone bevolking. In het geval dat de immigrant niet als substituut kan fungeren, dan zal dit een positieve invloed hebben op het loon van de autochtone bevolking.
Zoals waarschijnlijk begrijpelijk is, is het vaak de laaggeschoolde autochtone beroepsbevolking die een nadelig effect ondervindt van de instroom van immigranten, omdat deze lager opgeleiden, door de aard van het werk wat zij verzetten, gemakkelijk vervangbaar zijn door (relatief) goedkopere allochtone arbeidskrachten.
Hooggeschoolde, kapitaalintensieve arbeidskrachten worden relatief gezien schaarser ten opzichte van laaggeschoolde, arbeidsintensieve arbeidskrachten. Hierdoor zal de waarde van deze hooggeschoolde werknemers toenemen en zullen zij een positief effect ondervinden van de instroom van immigranten.
De grootte van dit zogenoemde verdelingseffect hangt af van de oorspronkelijke staat van de economie en dan met name de grootte van de oorspronkelijke verdeeldheid tussen hoog- en laaggeschoolde arbeidskrachten.

Fiscale en sociale uitgaven

Voordat immigranten ‘binnen worden gelaten’, wordt er gekeken naar de huidige, maar vooral naar de toekomstige toegevoegde waarde die zij met zich meebrengen. Dit gebeurt omdat zij deel gaan uitmaken van de beroepsbevolking en daardoor hun spreekwoordelijke steentje gaan bijdragen aan de economie. Vandaar dat het merendeel van de nieuwe Nederlanders tot de jongere bevolkingsgroepen horen, omdat deze een grotere toegevoegde waarde hebben dan de reeds gepensioneerde immigranten. Deze jongeren en jongvolwassenen hebben dezelfde rechten als de autochtone Nederlanders en kosten de overheid dus extra steun voor onderwijs en gezondheidszorg. Daarnaast leveren ze de overheid ook weer wat op, door belasting en vergoedingen te betalen, waardoor het netto saldo van deze wisselwerking niet louter negatief zal zijn.
Zoals hierboven aangegeven is het merendeel van de immigrerende bevolking relatief jong, waardoor immigratie als een kunstmatige bron van verjonging kan worden gezien. Deze verjonging is essentieel voor het huidige pensioenstelsel gezien de werkende (jongere) bevolkingsgroep de gepensioneerden gedeeltelijk onderhoudt.
Radzin en Sadka stellen in Unskilled Migration, a Burden or a Boon for the Welfare State  dat zowel hoog- als laaggeschoolde immigranten een bijdrage kunnen leveren aan dit pensioenstelsel. Hun model stelt dat een volwassene zich in twee levensfases begeeft: werkend en gepensioneerd. De werkende verdient geld naar zijn scholingsniveau en spaart daarbij voor zijn oude dag. De gepensioneerde wordt ondersteund door de overheid met een pensioenuitkering en krijgt daar bovenop maandelijks een deel het geld dat hij gedurende zijn werkende periode heeft gespaard. Aangenomen dat de immigranten hetzelfde scholings- als fertiliteitsniveau hebben als de autochtone bevolking, heeft dit tot gevolg dat migratie inderdaad als kunstmatige verjonging kan worden gezien en daardoor een positieve bijdrage levert aan de financieringskosten van de vergrijzing.
Deze kunstmatige verjonging heet een windfall gain, een eenmalige positieve winst, omdat het slechts voor de huidige gepensioneerden van toegevoegde waarde is voor het pensioenstelsel. De werkende bevolking groeit hierdoor en deze behoort daarna tot de volgende generatie gepensioneerden, welke weer ondersteuning van de volgende generatie werkenden behoeft.
Borjas stelt in The Economics of Immigration dat immigranten hun land van bestemming kiezen door middel van self-selection. Hiermee wordt bedoeld dat hooggeschoolde immigranten een land uitkiezen waar de inkomensverdeling groot is, i.e. waar hoger geschoolde arbeidskrachten substantieel meer verdienen dan lager geschoolde arbeidskrachten. Voor lageropgeleiden geldt natuurlijk het omgekeerde. Uitgaand van dit principe zullen lager geschoolde immigranten Westerse landen uitkiezen om naar toe te emigreren, omdat de inkomensverdeling hier relatief klein is.
Als we dan de theorie van Radzin en Sadka toepassen blijkt dat, zolang het scholingsniveau van de immigranten gelijk is aan dat van de autochtone bevolking, de instroom van lager opgeleiden ook een positieve bijdrage levert aan het huidige pensioenstelsel. Echter, dat betekent ook dat een lager scholingsniveau, of in het geval van het nageslacht een scholingsinspanning, een negatief effect heeft op de financieringskosten van de vergrijzing.

Totale vraag van de economie

Als laatste maatstaf voor de macro-economische effecten van massa-immigratie wordt er gekeken naar de invloed van deze immigratie op de totale vraag van de economie. Naast de extra vraag naar kosten voor de overheid (gezondheidszorg) en extra inkomsten voor de overheid (belastingen), stijgt met de komst van immigranten op langere termijn ook de vraag naar publieke en private goederen. Met deze toegenomen vraag neemt ook de arbeidsvraag toe en daarmee wordt de positie van de vakbonden versterkt. Dit resulteert dan uiteindelijk weer in hogere lonen.
 
Echter, het verband tussen de grootte van de autochtone populatie en de hoogte van de lonen is zeer zwak, dit looneffect is dus niet per definitie een effect op de lange termijn en kan ook op kortere termijn al toe treden wanneer er met de immigranten extra kapitaal instroomt.
Er kan dus gesteld worden dat, over het algemeen gezien, de stroom van immigranten niet per definitie slecht is. Sterker nog, onder bepaalde voorwaarden zitten er meerdere positieve dan negatieve economische gevolgen aan de komst van immigranten, dan wel vluchtelingen.
Wordt vervolgd


Dit artikel is geschreven door Tim van Wilsum

timvanwilsum

Read more

The Ewing Theory

The Ewing Theory

What happens if your team’s best player goes down with an injury, leaves for another team or retires? Your team should be less successful, right? Well, as it turns out, this is not necessarily always true. Sometimes, a team can inexplicably flourish without their...

Why your Dobble cards always match

Why your Dobble cards always match

Dobble: a game played by kids, but still very popular among adults. In the game, you have to draw two random cards and place them face-up on the table between all the players. Then, you have to look for the identical symbol between the two cards. Between every two...

Why do we count in base 10?

Why do we count in base 10?

What is two plus two? The realist will say four, the computer will say 100, and the cynic will say 5 – but which is correct? The reason we count in base 10 stems from the simplest fact: humans have 10 fingers. Understandable and logical, as this seems to be nature’s...